De eerste weken nadat ik mijn moeder had teruggevonden, voelden alsof ik in een droom leefde.
Ik werd tijdelijk ondergebracht bij mijn grootvader Thomas, terwijl de volwassenen om mij heen probeerden uit te zoeken wat er juridisch en praktisch moest gebeuren. Ik had ineens familie die ik jarenlang niet had gekend. Familie die foto’s van mij had bewaard, brieven had geschreven en zich had afgevraagd waar ik was.
Toch voelde ik me niet meteen gelukkig.
Ik was veertien.
Ik begreep niet waarom mijn vader tegen me had gelogen. Ik begreep niet waarom Vanessa mij zo gemakkelijk de schuld had kunnen geven. En bovenal begreep ik niet waarom niemand eerder had ingegrepen.
Op een ochtend zat ik met Thomas aan de keukentafel.
“Heb ik iets verkeerd gedaan?” vroeg ik.
Hij legde zijn kop koffie neer.
“Nee.”
“Maar papa zei dat ik gevaarlijk was.”
Thomas keek me recht aan….