“Waarom heeft hij hem dan nooit gevonden?”
Zijn moeder zweeg.
Dat zwijgen vertelde Lucas meer dan woorden konden.
Er was nog iets.
Iets dat niemand hem wilde vertellen.
Die avond keerde Lucas naar huis terug met meer vragen dan antwoorden.
Hij besloot niet langer te wachten.
Hij moest Daniel vinden.
Niet alleen voor zijn vader.
Maar voor zichzelf.
Na enkele dagen zoeken vond hij eindelijk een mogelijk adres.
Een klein huis aan de rand van een bosgebied.
Met een bonzend hart reed Lucas erheen.
Hij wist niet wie hij zou aantreffen.
Een vreemde?
Een vijand?
Of iemand die al die jaren op hem had gewacht?
Toen hij bij de deur aankwam, bleef hij enkele seconden staan.
Hij klopte.
Na een paar momenten ging de deur langzaam open.
Een man van ongeveer dezelfde leeftijd keek hem verbaasd aan.
Zijn ogen waren opvallend bekend.
Lucas wist meteen waarom.
Ze hadden dezelfde blik.
Dezelfde vorm van hun gezicht.
Dezelfde familiekenmerken.
De man zei niets.
Totdat Lucas zachtjes sprak.
“Ik denk dat jij mijn broer bent.”
De stilte die volgde voelde langer dan alle jaren waarin ze elkaar hadden gemist.
Uiteindelijk fluisterde de man:
“Wie ben jij?”
Lucas haalde de oude brief uit zijn jaszak.
“Mijn naam is Lucas.”
De man keek naar het papier.
Toen veranderde zijn uitdrukking.
“Waar heb je die vandaan?”
“Van onze vader.”
De man deed een stap achteruit.
“Dat kan niet.”
“Waarom niet?”
Hij keek Lucas recht aan.
“Omdat onze vader mij twintig jaar geleden vertelde dat jij niet meer bestond.”