Écriture
De Deur Die Altijd Op Slot Was
Na acht maanden op een internationale vredesmissie verlangde kapitein Ruben de Vries naar één ding: naar huis.
Onderweg vanaf het vliegveld stelde hij zich voor hoe zijn moeder hem met een glimlach zou begroeten, hoe de geur van versgebakken appeltaart het huis zou vullen en hoe zijn vrouw Sophie hem eindelijk weer zou omhelzen.
Maar zodra de taxi stopte, voelde hij dat er iets niet klopte.
Sophie stond buiten met een brede glimlach. Toch leek die glimlach ingestudeerd.
“Welkom thuis,” zei ze.
Ruben omhelsde haar kort.
“Waar is mam?”
“Oh… ze rust uit.”
“Om drie uur ‘s middags?”
Sophie keek even weg.
“De dokter heeft gezegd dat ze veel moet slapen.”
Nog voordat Ruben iets kon vragen, verscheen buurvrouw mevrouw Van Leeuwen aan het tuinhek.
“Fijn dat je terug bent,” zei ze vriendelijk.
Daarna fluisterde ze haast ongemerkt:
“Praat straks eens rustig met je moeder.”
Meer zei ze niet…