De artsen wilden weten wat er precies in de spuit had gezeten.
Daniel keek naar de verzegelde envelop.
“De spuit is nog intact. We sturen hem direct door voor onderzoek.”
Hij verbrak de verbinding.
Op dat moment hoorde hij voetstappen buiten.
Langzame voetstappen.
Daarna verscheen een man achter het glas van de voordeur.
Daniel herkende hem onmiddellijk.
Thomas.
Hij stond in de regen zonder paraplu.
Zijn gezicht was kalm.
Veel te kalm.
Hij keek recht naar Daniel.
Toen naar Marcus.
En uiteindelijk naar de lege plek waar Emma en Olivia hadden gestaan.
Daniel voelde zijn hand automatisch naar zijn radio gaan.
Thomas klopte eenmaal op het glas.
Marcus deed een stap naar voren.
“Blijf hier.”
Hij liep naar de deur, maar voordat hij die kon openen, zei Daniel zacht:
“Niet doen.”
Marcus keek om.
“Waarom?”
“Als hij hier is, weet hij dat ze hier zijn.”
Thomas klopte opnieuw.
Deze keer harder.
“Daniel!”
Zijn stem klonk gedempt door het glas.
“Ik wil mijn dochters zien.”
Marcus keek naar Daniel.
Daniel zei niets.
De voordeur bleef gesloten.
Thomas haalde diep adem.
“Daniel, ik weet dat je daar bent.”
Een stilte volgde.
Toen trok Thomas zijn telefoon uit zijn jas.
Daniel zag dat hij iets op het scherm typte.
Een seconde later trilde Daniels eigen telefoon.
Een onbekend nummer.
Hij nam niet op.
Er kwam een bericht binnen.
“Je weet niet wat je hebt gevonden.”
Daniel keek naar Marcus.
“Laat hem niet binnen.”
Marcus knikte en waarschuwde onmiddellijk de andere agenten.
Buiten bleef Thomas staan.
Hij leek niet boos.
Hij leek zelfs bijna verdrietig.
Dat maakte Daniel nerveuzer dan woede ooit had kunnen doen.
Een paar minuten later arriveerde een rechercheur van een andere eenheid om de zaak over te nemen. Daniel legde alles uit en overhandigde de bewijsenvelop.
Toen kwam er een tweede bericht binnen.
Deze keer slechts vijf woorden:
“Vraag Emma wat ze zag.”
Daniel keek op.
Hij dacht aan het kleine meisje.
Aan de manier waarop ze naar de deur had gekeken.
Aan de spuit die ze in haar schoen had verborgen.
En plotseling begreep hij iets.
Emma had niet alleen bewijs meegenomen.
Ze had iets gezien.
Iets waar haar vader blijkbaar bang voor was.
In het ziekenhuis zat Olivia ondertussen op een onderzoekskamer terwijl artsen tests uitvoerden. Emma zat naast haar en hield haar hand vast.
Een verpleegkundige kwam binnen.
“Emma?”
Het meisje keek op.
“De politie wil je nog één vraag stellen.”
Emma knikte.
De rechercheur ging tegenover haar zitten.
“Je hoeft niets te zeggen waar je je niet veilig bij voelt.”
Emma keek naar de deur.
Toen fluisterde ze:
“Ik zag papa gisterenavond naar de kelder gaan.”
De rechercheur wachtte.
“En?”
Emma kneep harder in Olivia’s hand.
“Daar stond een grote koelkast.”
“Wat zat erin?”
Emma keek naar haar zus.
“Veel flesjes.”
De rechercheur voelde zijn aandacht verscherpen.
“En waarom weet je dat?”
Emma antwoordde nauwelijks hoorbaar:
“Omdat papa zei dat niemand ze mocht aanraken.”
Ze zweeg even.
Toen voegde ze eraan toe:
“Maar één flesje was al leeg.”
De rechercheur schreef niets meer.
Hij keek haar alleen aan.
“Welke naam stond erop?”
Emma slikte.
Ze keek naar Olivia.
Toen naar de rechercheur.
En zei:
“Niet papa’s naam.”
Buiten het ziekenhuis begon het opnieuw hard te regenen.
En ergens in de stad reed Thomas Reed weg, terwijl hij wist dat de politie nu dichter bij de waarheid was dan ooit tevoren.